|
De wind had vrij spel en de regen geselde vriend en vijand toen wij, overladen met hoogblonde chrysanten, het graf gingen groeten. Om een graf naar behoren te groeten moet een mens het eerst vinden. In een labyrint van haveloos verzakte praalgraven en verkommerde zerken baanden wij ons twijfelend zoekend een weg.
Vader voorop. Als een generaal. Met een kruiwagen vol benodigdheden ter opsmuk van het graf. Daarachter mijn moeder en mijn tante die gearmd de generaal volgden. Mijn nonkel volgde op enige afstand. Eeuwige sigaar tussen de lippen. Aarzelend ook. Alsof hij het oriëntatievermogen van de generaal niet helemaal vertrouwde.
De herfst had de gangpaden met oker geplaveid. Tante Martha, die een soort lederen muiltjes droeg, gleed uit en viel pardoes op haar gat. 138 kilo vol op de grond. Het kerkhof daverde een wijle en hier en daar zakte een zerk nog wat dieper weg in de ongenadig gulzige aarde.
Blijkbaar had tante zich pijn gedaan want ze kermde hartverscheurend. Nonkel Frans maande haar aan tot stilte. 'Denk aan de rust der afgestorven zielen,' sprak hij haar berispend toe. Hierop begon tante Martha nog luider te kelen. Mijn vader, die al z'n hele leven een moelijk lopende relatie met zijn zuster heeft, achtte zijn moment gekomen en mompelde: 'Aandachttrekkerij!'
Daar was an sich niets van gelogen want aandacht trok tante bij hopen. In een handomdraai ontpopten tientallen rouwenden zich tot gebreveteerde ramptoeristen. Om bij de omstaanders de indruk te wekken dat zij alvast niets met deze affrontelijke situatie hadden te maken, posteerden mijn vader (met kruiwagen) en nonkel Frans (met sigaar) zich aan het graf van een onbekende primaat en brachten er ingetogen een zwaarmoedige psalm. Zij brachten het kerkelijk lied tweestemmig en breiden er zodoende een luchtig kantje aan. U zijt wellekomen en zo...
Ondertussen zat tante Martha nog steeds met wijd gespreide benen te blèiren op het hangpad. Haar hele onderbroek was zichtbaar. Een van oorsprong helder wit tentzeil dat in de loop der tijd naar sterk gebroken ecru was gaan neigen. Er zat ook duidelijk behoorlijk wat sleet op de stof. Je kon er godbetert haar sterk behaarde derde oksel dwars doorheen zien. Niet echt het soort lingerie om als naaste familie wreed preus op te zijn. Terwijl ik me diep stond te schamen wierp mijn moeder koelbloedig haar vellen frak over het affrontelijk tafereel.
Moeder: 'Allé Martha, stel joen rechte, de mensen zien an't kieken.'
Tante M: 'Te goa niet, Georgette, m'n stèèrtebeen is verzekers gebosten!'
Moeder: 'G'Hèt ollesies een ferme post gepakt...'
Tante M: 'Kwestie goa'k nog oois kunnen goan van z'n levens!'
Moeder: 'Martha, 't is nie voer 't één of 't ander mor je ziet hèèl joen müs deur j'n oenderbroek!'
Meer aanmoediging had tante Martha niet nodig. In een onnavolgbare reflex stond ze recht, schikte haar kledij, veegde via een elegant gebaar een paar herfstbladeren van haar sjakos en stapte kaarsrecht en met fier geheven hoofd langsheen de verbouwereerde menigte. Haar paraplu, die losjes aan haar linkerarm bengelde, had evenwel onherstelbare schade opgelopen. Maar dat deerde onze herrezen diva blijkbaar niet.
Mijn moeder en ikzelf stapten ietwat gegeneerd achter tante aan. Nonkel Frans en mijn vader hadden de wonderbaarlijke genezing blijkbaar ook opgemerkt want zij kwamen ongemerkt weer aansluiten. Mijn vader met de kruiwagen losjes in de handen. Nonkel nam tante bij de arm (134 kilo omarmde 138 kilo) en sprak plechtstatig: 'Mag ik deze arm van U, mevrouw Butterfly?' 'Seffens een vlindermes in uw neuzegat, gij vermaledijde baardaap,' snauwde tante hem toe.
En daarmee was het incident gesloten en konden wij eindelijk verder op zoek naar het graf. Na een eindeloze zoektocht langs troosteloze heuvelruggen vol ellende bereikten wij ten lange leste de zerk onder dewelke Aldegonde Kwintelier lag opgeborgen. Het graf was duidelijk al lange tijd van enig onderhoud verstoken gebleven.
De vrouwen gingen meteen aan de slag. Moeder schrobde de grafsteen met een harde borstel terwijl tante het prieel eromheen met een hark onkruidvrij probeerde te harken.
'Het wordt allemaal weer net als vroeger,' zei mijn oom. Hij wreef zich vergenoegd over zijn immense buik en zette zich zuchtend van de inspanning op een bank onder een treurwilg. Mijn vader stond met zijn handen op de rug en bekeek de werkzaamheden der beide vrouwen. Nu en dan gaf hij aanwijzingen. Alsof hij wist hoe graven onderhouden dienden te worden. Na elke opmerking keken de zwoegende vrouwen hem bitsig aan. De generaal ging echter niet in op hun verontwaardigde blikken. Ik heb toch maar mooi die kruiwagen tot hier geduwd, scheen hij te denken.
Ik bekeek de foto's op de aanpalende zerken. Een verleden in sepia. In veel graven lagen man en vrouw in eeuwige rust naast elkaar, zo bleek. Ik keek stiekem van tante Martha naar nonkel Frans en vroeg mij bezorgd af of men die twee ooit samen in zo'n put zou krijgen.
Toen het graf van Aldegonde Kwintelier helemaal was opgetuigd gingen we naar café 'Den Beyaerd' alwaar we 'de emoties' doorspoelden. Mijn vader en nonkel Frans met ettelijke kuipen trappistenbier. De vrouwen hielden het bij OXO. Toen de emoties eindelijk waren bedwongen was de generaal zo zat als een aap. Bij thuiskomst bleek hij zelfs de kruiwagen in 'Den Beyaerd' te hebben achtergelaten. Bij navraag bleek daar echter geen kruiwagen te zijn gevonden.
Wij zijn toen overgegaan tot een grootscheepse actie om de kruiwagen terug te vinden. Tot ver over de landsgrens!
PS: Ik weet tot op heden nog steeds niet wie Aldegonde Kwintelier was. Ik heb het mijn ouders ook nooit gevraagd. Je kunt de doden maar beter met rust laten, zo redeneerde ik. |